Meer geschiedenis

 

Op de plek waar nu de Paap staat, woonden omstreeks het jaar 1580 de Zusters Arme Clarissen, die wegens de tachtigjarige oorlog uit hun Elisabethklooster in Boxtel gevlucht waren. Op 12 juli 1611, ten tijde van het Twaalfjarig Bestand, keerden zij terug naar hun eigen klooster in Boxtel. Het huis aan de Papenhulst (de naam “Papenhulst” is afgeleid van het woord “papen”. Hetgeen “priesters” betekent, overigens nog zonder negatieve bijbedoelingen, want reeds lang voor de protestantse reformatie was de straatnaam “Papenhulst” bekend. Het woord “Hulst” duidt op een “hoogte”, of “verhoging”) hielden de zusters aan. Dat werd na de overgave van de stad in 1629 door de Staten van Holland in beslag genomen.
Image


Het verbeterhuis

In 1758 kocht Jan van de Gevel een ruim pand aan de Papenhulst “tot logeering en bewaaring van personen die of wegens krankzinnigheid of kwaad gedrag gekonfineert wierden”. Na zijn overlijden, in 1779, kreeg zijn erfgename Anna Geertrui van Craanenburg (Kranenburgh) toestemming het verbeterhuis te exploiteren. Zij huwde in dat jaar Martinus Rippens, die toen eigenaar werd. Tot ver in de 19e eeuw bleef de familie Rippens eigenaar van het ‘verbeterhuis’, dat overigens in 1801 ‘besloten kosthuis’ werd genoemd. In 1864 verhuisden de vier overgebleven krankzinnigen naar het Reinier van Arkel. Francis Rippens bood zijn verbeterhuis een jaar later te koop aan. Het huis werd eigendom van de “Vereeniging tot verpleging van zieken genaamd broeders van Johannes de Deo” die het tot een ziekenhuis heeft verbouwd.


 

Ziekenhuis St. Joan de Deo

Ziekenhuis St. Joan de Deo is gesticht door de Broeders van Barmhartigheid van Montabaur (opgericht door Peter Lötschert in 1856 onder de zinspreuk “Caritas Christi Urget Nos” (de Liefde van Christus spoort ons aan)
Van 1905 tot 1955 was de Bossche nederzetting tevens het noviciaat der congregatie en vonden jonge kloosterlingen er hun verpleegopleiding. Pas in 1914 werd het ziekenhuis aan de Papenhulst gebouwd (in 1912 was de oude bebouwing gesloopt). De plechtige inzegening vond plaats op 4 oktober 1915.
In medische studieboeken rond 1927 werd de operatie-afdeling tot de modernste voorbeeld gesteld in Nederland.

Uit “Rond de Geerlingse Brug”, door Jan van Dijk, handelend over de
twintiger jaren van de twintigste eeuw (blz 43): “Bij de zogenoemde Judasbrug gekomen, waar het Nachtegaalslaantje begon, werd je geconfronteerd met het lief en leed van de stad. Want het leed kon je aantreffen bij de broeders van St. Joan de Deo, die ook vaak zieken thuis verzorgden. Nog zie ik in het voorportaal ‘de mat’ staan, een driewieler met een brancard erop gemonteerd, die omkleed was met bruin zeil (…) Die driewieler diende voor het vervoer van zieken, gewonden en overledenen. Ze werd bereden door een agent, een ziekenbroeder of een burger in dienst van het ziekenhuis. Zodra de mat de Clarastraat inzwenkte, liepen wij erachteraan om te zien wie erin lag. Bij ziekenhuis St. Joan de Deo werd de brancard van de driewieler gelicht en zag je meestal wel wie het slachtoffer was. Dat gingen we dan thuis vertellen (…) Wanneer we uit het Lof kwamen, stond er bijna altijd een wandeling op het programma. Was het goed weer, dan maakten we een uitstapje naar het plantsoen, was het weer minder mooi, dan was de markt de eindbestemming. Eerst de Plantsoenroute. Via de Clarastraat en de Papenhulst, die ons weinig vertier te bieden hadden, liepen we naar het Nachtegaalslaantje. Aan de rechterkant daarvan lag de Casinotuin, links waren de HBS en de militaire manege. We staken de Hekellaan over, wandelden rechtdoor en daalden langzaam af tot aan de sloot. Van daaruit zag je een weids panorama pver een landschap met grazende koeien. Aan de horizon zag je de kerktorens van St. Michielsgestel en Den Dungen”.


Image

Eind 1963 stoppen de broeders met het exploiteren van dit ziekenhuis. Ze leggen zich toe op ‘missie-activiteiten’ in Afrika en geven de taken over aan de Zusters van de Heilige Carolus Borromeus uit Trier. Op dat moment telde ‘Joan de Deo’ nog 100 personeelsleden (waaronder 16 religieuzen) en had het ziekenhuis een capaciteit van 110 bedden.
Tijdens het ‘bewind’ van de broeders zijn 100.000 patiënten verpleegd en klinisch behandeld in Ziekenhuis Joan de Deo; de poliklinieken werden sinds 1945 (tijdens de bezettingsjaren deed dit ziekenhuis dienst als verpleeginrichting voor zieke Duitse militairen, onder de naam ‘Isolier-Abteilung “Pro Deo” Reserve kriegslazarett ‘s Hertogenbosch Holland’) door niet minder dan 250.000 patiënten bezocht. Bij hun vertrek uit DenBosch bleef het pand aan de Papenhulst in bezit van de congregatie, de Carolus-zusters beheerden het ziekenhuis vanaf eind 1963. Op 14 december 1963 nam het Bossche gemeentebestuur officieel afscheid van de Broeders van St.Joan de Deo. De stad DenBosch gaf als afscheidscadeau 8000 gulden voor een orgel in het juvenaat van de congregatie in Herwaarden. Vanaf 1963 staat het pand bekend als Carolus II. Het pand aan de Papenhulst, dat in eigendom is gebleven bij de Broeders van Barmhartigheid, werd zes jaar later alweer, in 1970 als ziekenhuis gesloten. Het wordt voor 416.000 gulden vertimmerd en sinds januari 1971 is het pand dan in gebruik als woonoord voor 190 buitenlandse arbeiders (“Industrieel Wooncentrum Papenhulst”). Dit werd gecoördineerd door de Stichting Huisvesting Migranten Stadsgewest ‘s-Hertogenbosch. Tot 1 juli 1976 had deze stichting een huurcontract met de Broeders der Barmhartigheid voor de Paap, daarna hield de Stichting op te bestaan. In dat jaar (1976) wonen er nog slechts 30 buitenlanders in het pand. Op dat moment had de conservenfabriek Jonker Fris (Heusden) een groot gedeelte van het pand echter al in onderhuur. Dat bleek later de hele achterbouw te zijn.

 

De woningnood in Den Bosch was een kwart eeuw geleden enorm. In 1973 stonden er iets meer dan drieduizend mensen in Den Bosch ingeschreven als woningzoekend, half 1978 waren dat er al zesduizend. Er waren wachtlijsten van vele jaren en velen deden niet eens meer de moeite om zich officieel in te schrijven als woningzoekenden zodat de werkelijke woningnood nog vele duizenden hoger moet zijn geweest. De vele opleidingen in de stad zogen studenten en scholieren de stad binnen maar er was absoluut geen betaalbare huisvesting beschikbaar. Huisjesmelkers bezaten hele straten tegelijk en speculeerden er onbelemmerd op los. Uit protest hiertegen hadden er al een aantal kleinschalige, individuele kraakacties in Den Bosch plaatsgevonden.

Image


Wat de Paap betreft is het ongeveer als volgt gegaan (opgetekend door een kraker uit die tijd): Er was een groepje Kunstacademiestudenten die regelmatig op weg naar school door de Papenhulst liepen (de kunstacademie zat toen nog aan het begin van de Pettelaarseweg). Iedereen woonde klein en slecht op te dure kamertjes, uitgemolken door particuliere huizenbezitters (“de familie Persoons was nog een berucht begrip”). Langzamerhand ontstond er een plannetje om het leegstaande ziekenhuis aan de Papenhulst te gaan bewonen. Het groepje potentiële krakers legt contact met actievoerders van het JAC (Jongeren advies centrum) en al heel snel slaat de vlam in de pan en vinden er een paar zeer enthousiaste en krachtdadige actievergaderingen plaats.


Image

De Bossche Kraaklente staat op uitbreken. Een Bossche dichter schreef achteraf: “Ik zie hier dingen gebeuren, waarvan ik een tijd geleden alleen maar durfde dromen”. Een paar dagen voor de Papenhulst-kraak zijn wat mensen het pand binnengegaan, de zogenoemde voorkraak. De hele voorbouw blijkt inderdaad leeg te staan, maar de centrale verwarming staat verdorie aan! Op Zondagavond 16 april 1978 ‘s-avonds laat verzamelt zich een groepje initiatiefnemers op de zolderkamer van het pandje Choorstraat/Sint-Janskerkhof, vlakbij de Papenhulst. Hier worden de beroemde “boterhammen met ui”, de ijskoude vierkante Bokma en diverse beugelflessen bier genuttigd. Vanuit het zolderraam wordt de politiesurveillance in de gaten gehouden in de richting van de Papenhulst. Het draaiboek van de kraak voorziet in een voorverzameling in de Sociale Academie aan de Papenhulst, vanaf acht uur de volgende ochtend 17 april – hiertoe was de sleutel van de voordeur “geregeld”. De ruimte van de studentenvakbond zou worden gebruikt als pers- en coördinatiecentrum (telefoon en typemachine!). De voorverzameling op maandagochtend 17 april 1978 loopt voorspoedig, ongeveer tachtig mensen staan klaar om naar de overkant van de straat te rennen. Er is echter enige vertraging omdat de filmploeg van het NOS journaal opbelt met de mededeling dat ze in een file naar Den Bosch vastzitten. Het wachten is dus op de cameraploeg en wanneer deze zich bij de hoofdingang van de Paap heeft geïnstalleerd, krioelen de krakers de straat over. Een autobusje matrassen, tafels en stoelen wordt uitgeladen en de 20 nieuwe bewoners beginnen met heel veel hulp onmiddellijk aan een grote schoonmaak. Pas tijdens de kraak wordt duidelijk dat de achterbouw in gebruik is door Jonker Fris (de jamfabriek uit Heusden), die daar enige tientallen buitenlandse werknemers gehuisvest heeft. Zij maken geen gebruik van de voorbouw, de scheiding loopt zo’n beetje vanaf “de keuken van De Keuken” recht naar boven. De hele tuin is in eerste instantie onbereikbaar voor ons, later maken we hoofdzakelijk gebruik van het eerste gedeelte en de – toen nog – binnentuin bij “De Benedenburen”. Een gedeelte van de houten barak (het voormalige tbc-paviljoen) is in gebruik als televisieruimte voor de ‘gastarbeiders’.


Image
Die eerste dag is het één grote chaos. Overal lopen mensen rond. Er worden kamers ingericht, toiletten geschrobd en er wordt ruzie gemaakt met de heer Slagmolen van Jonker Fris en inspecteur Koenders van de politie. Er wordt getelefoneerd met de Broeders van Barmhartigheid, de eigenaresse van De Paap. ‘s-Avonds, op één van de twee ziekenzalen in de voorbouw, wordt er collectief televisie gekeken en moeten we tot onze schrik vaststellen dat het NOS journaal het verkeerde kraakaffiche laat zien. Getoond wordt de “Grote Muurkrant” over de kraak van het Baptistenklooster die gepland staat voor de volgende ochtend! Ogenblikkelijk wordt er naar Hilversum gebeld en bij de volgende journaaluitzending wordt de fout gelukkig hersteld. Blijkbaar is deze blunder aan betrokkenen ontgaan want de volgende ochtend (dinsdag 18 april 1978) wordt door vrijwel dezelfde groep van tachtig krakersters het al jaren leegstaande Baptistenklooster in de St.Jorisstraat succesvol gekraakt (dertig bewoners). Op woensdag 19 april 1978 wordt er een enorme krottenwijk op het Kerkpleintje gebouwd. Veel discussies tussen tientallen mensen over de schandelijk hoge huren voor de veelal slecht onderhouden onderkomens op de veelal slecht onderhouden particuliere kamermarkt. ‘Pipo’ kraakt met hulp van de Bossche kraakgroep één van de krotten en om vijf uur ‘s-middags volgt de sloop. Daarna – donderdag – een dagje rust.


Op vrijdag 21 april volgt er opnieuw een actie, maar nu met meer dan honderd krakersters, terwijl de politie machteloos verschrikt staat toe te kijken. De Carolusflat aan de Pastoor de Kroonstraat wordt bestormd en in gebruik genomen. Dit toenmalige statussymbool van leegstand stond vlak naast het (toenmalige) Politiebureau. Hier wonen na een paar weken al meer dan 130 mensen die zich spontaan organiseren in gangen en eetgroepen en op de onderste verdieping zullen het JAC en de Bossche Kraakgroep voortaan haar werkzaamheden verrichten. De hele week haalt de Bossche kraakbeweging de landelijke kranten, radio en televisie. Vanaf die week gaat het onstuimig verder.”Het wonen in de Papenhulst, al heel snel “De Paap” geheten, wordt al snel georganiseerd middels het groepswonen per gang. Op alle gangen worden sanitaire voorzieningen aangelegd, dit betekent honderden meters water- en gasleidingen. Om de groep bijeen te houden en de strijd om het behoud van het pand te coördineren wordt er éénmaal per week vergaderd. Mensen van de Bossche Kraakgroep helpen mee de boel in gang te zetten aangezien de nieuwe krakers geen enkele ervaring op dit gebied hebben. Maar dat zou snel veranderen. Dankzij de massale kraakacties wordt er enorm veel kennis en werkkracht opgedaan en er ontstaat een behoorlijk grote onderlinge solidariteit. We doen in die beginperiode al als Paap mee aan gemeentelijke inspraakrondes rondom het Structuurplan (in samenwerking met het Provinciaal Opbouworgaan Noord-Brabant) en weten het thema “jongerenhuisvesting” op de gemeentelijke politieke agenda te krijgen en te houden.


Dankzij de kraak van de Paap is een zeer duur nieuwbouwplan van drie woontorens voorkomen. De broeders van Barmachtigheid zagen de kraak van de Paap niet bepaald zitten en stuurden op 7 juli 1979 breedgeschouderde types met mokerhamers naar de Paap om onze pannendaken kapot te slaan. Door tijdig ingrijpen van de krakers heeft men toen de schade beperkt weten te houden en is uiteindelijk het dak weer gerepareerd. Een protestlied uit die tijd naar aanleiding van dit voorval.


Image

Papenhulstlied (1979)

Broeders der barmhartigheid
raken hun naastenliefde kwijt
geld verdienen met veel vlijt
is hun goddelijk doel

ze bidden hun vingers bont en blauw
gaan ter kerke, biechten trouw
maar gooien mensen in de kou
het christelijk gevoel

papenhulst, hemels pand,
wijk niet voor de slopershand
tegen mokers wel bestand
de toekomst zal het leren

papenhulst, gaat niet plat
geen paaps beton in de deze stad
we zijn de waanideeën zat
Van alle hoge heren